Alle teksten en artikels terug te vinden op : Mechelen-Bovelingen – Heers (grootheers.be)
Gidsverslag wandeling Senioren Rijkel 21 mei 2026 : Mechelen-Bovelingen 5 km
Jan Odeurs “Gekroonde uitvinder”:
Voor velen van ons zal die naam niet veel zeggen. Toch willen wij even in herinnering brengen wat deze Mechelaar, geboren omstreeks 1825, internationaal presteerde en tevens stilstaan bij de hulde die zijn dorpsgenoten hem betoonden in het jaar 1862.
Immers dat jaar (1862) kreeg hij een “eremedaille” op de “Exposition de Londres” , voor het ontwerpen van een, voor die tijd althans, revolutionaire “landbouwploeg”.
Onze dorpsgenoot die boer was en waarvan we niet echt weten of hij al dan niet gestudeerd had, ontwierp toen de draaiende ploeg wat de landbouwers veel meer mogelijkheden gaf bij het bewerken van hun akkers.
In het dagboek van pastoor Plevoets vonden wij over de feestelijke ontvangst in ons dorp, de volgende tekst weer :
“ De 17de february 1862, om half dry namiddag, vergaderen zich voor het gemeentehuis, den gemeenteraad, de confrérie van St-Sebastian en die van St-Martinus en eene grote menigte volk, zelfs van den omliggende gemeenten. Sedert middag heeft het kanon niet opgehouden zich te doen horen Het kwartier voor dry komt de heer burgemeester op het gemeentehuis. Nu formeert zich de stoet om de heer J.M. ODEURS plegtig in zijn huis te gaan halen.
1) De trommelslager. 2) De confrerie van St-Sebastian met hunne bogen versierd. 3) De gemeenteraad. 4) De Kamer van St-Martinus
Terug aan het gemeentehuis gekomen zijnde, doet de heer Burgemeester de volgende aenspraeck, welke verscheiden malen door een algemeen handgeklap werd toegejuicht.
“Weet gij, inwoners van Mechelen, waarom de Commissaris ons bevolen heeft, van de afgeving dezer médaille, eene gemeente solemniteit te maken? Ziet hier de reden daarvan. Ieder land, ieder volk, ieder provincie zal altijd trotsch zijn de eer te hebben van in hun midden , mannen te zien geboren worden, die door hun vernuft of door hun wetenschap , zich boven hunne medeburgers verheven en eene vermaerdheid bekomen hebben. Zulk land reklameert eene overwinnaar,een ander is trotsch an eenen vermaerden schilder of geschiedschrijver bezeten te hebben.
Hier mijne Heren, vinden wij de oorzaek waarom de gemeente moet deelnemen in de plegtigheid van dezen dag.
Kind van Marlinne, heeft Odeurs, geboren in een tijd dat het onderwijs zo mededingers, gekomen uit alle landen der wereld. aan de landbouw, zich doen onderscheiden en uitschitteren in het midden van Brussel, Parijs, Londen, hebben hem, eenvoudige boer, zegevierend uit die wreedzame worstelingen, bestemd tot de uitbreiding der kennissen en tot het welzijn van het mensdom, zien komen.
Mijnheer Odeurs ik ben trotsch op de eer die U te beurt is gevallen en U deze medaille, regveerdige belooning van Uwe verdiensten en Uwe talenten, te kunnen moeyelijk kon bekomen worden, zich door zijn vernuft, door de diensten bewezen overhandigen Dat dit nieuw ereteken voor U zij eene aanmoediging. Ga voort te werken met eenen nieuwen iever
Ik maak hier den wensch dat het gouvernement, regveerdige beoordeler der diensten door U aan den landbouw bewezen, U het eereteken verleene welke men geeft aan diegene die aan het vaderland en hunne medeburgers dienst bewezen hebben.
Dien dag gelijk vandaeg, zullen wij uit geheel ons hart uitroepen : “LEVE JAN ODEURS” Na deze aenspraeck en de afgeving van de medaille en den diploma, heeft de stoet zich opnieuw geformeerd om Odeurs, gelijk bij zijne aankomst, naar huis te geleiden. Tot laat in de avond heeft het kanon zich doen horen;”
Opgetekend door pastoor Plevoets uit Mechelen in 1862
Watermolen in Mechelen:
Wij hadden in Mechelen ook een watermolen op de kleine Herk, gelegen een honderdtal meters stroomafwaarts van het kapelletje van Lourdes aan de Burgemeestersstraat. Ze dateert toch van na 1660 want op een oude kaart van Mechelen van die tijd is ze niet aangeduid. Er was een toegangsweg langs de beek, maar ook vanaf de Burgemeestersstraat naast het huis van Joseph Royer. Momenteel kan men nog duidelijk de plaats situeren. Er is nog steeds een verhoging te zien in de “weekes” aan weerskanten van de beek. Dat was zeker de plaats waar een waterreservoir werd aangelegd om het schoepenrad te doen draaien. Deze molen was eigendom van het kasteel maar ook de boeren mochten ervan gebruik maken om hun meel te malen. Van de molen is verder niets overgebleven, alleen dat oudere mensen nog altijd spreken van de “molenbeek” als gevolg van deze vroegere functie. Later is er ook sprake van de watermolen van Overbroek waar onze boeren terecht konden.
Windmolen in Mechelen:
Een tweede molen die wij geïdentificeerd hebben was een windmolen. In een tekst van Saumery en de bijbehorende ets van Remacle Leloup (1740) zien wij het kasteel van Bovelingen met ver op de achtergrond een windmolen. Zij was recenter en ook eigendom van de kasteelheer. Ze stond op de hoogvlakte tussen Mechelen en Boekhout (rechts van het kasteel) Hier was de grootste windopvang. Om haar te bedienen was een man met
ervaring nodig en daarom liet de graaf een mulder afkomen van Bekkevoort (Diest) (1830), ene zekere VERMEULEN, die dus de stamvader werd van het huidige geslacht in onze streek. Niets is nog te zien op de plaats waar ze ooit gestaan heeft tot omstreeks 1900. Enkel als wij spreken van de “meulenberg” en het “meulebeuske” dan gaat er opnieuw een lichtje branden.
Kapel OLV van Lourdes:
Aan de Burgemeestersstraat te Bovelingen vinden wij een mooi kapelletje dat in 1875 werd opgericht door de buurtbewoners. Het gebouwtje opgericht in gotische stijl, op grond van de gemeente was toen gelegen langs de weg van Mechelen naar Oleye. Alhoewel klein van stuk, (grondoppervlakte 3 x 5 meter) heeft het een heel gezellig uitzicht. Men bemerkt er een rustaltaar, zonder altaarsteen met het beeld van O.-L.-Vrouw van Lourdes met ernaast in een hoek op een voetstuk ook het beeld van Bernadette.
De omstandigheden waarom men tot de bouw overging waren vrij duidelijk het gevolg van de verschijningen van O.-L.-Vrouw in Lourdes. Oudere mensen kennen die verhalen nog van hun ouders of grootouders, maar voor de jeugd wil ik nog even de gebeurtenissen situeren.
Op 11 februari 1858 gingen Bernadette (14), haar zusje Toinette (12) en een vriendinnetje Jeanne Abadie (13) hout sprokkelen langs de oever van de Gave. Als Bernadette haar kousen uittrekt om door het water van het molenkanaal de andere meisjes te volgen, schrikt zij bij het horen van een geluid als van een windstoot. Als zij een tweede, soortgelijk geluid hoort, kijkt ze onwillekeurig naar de grot en ziet in de bovenste nis ‘iets wits’, een meisje met een ‘mooi gelaat’. Spontaan grijpt Bernadette naar haar Rozenkrans en knielt neer. Ze wil het kruisteken maken, maar dat gelukt haar pas als het meisje, dat ook een Rozenkrans draagt met een groot blinkend kruis, het haar heeft voorgedaan. Terwijl Bernadette het Rozenhoedje bidt, ziet ze dat ook het meisje de kralen door haar vingers laat glijden, maar zonder de lippen te bewegen. Het ‘visioen’ duurt ongeveer een kwartier. De andere meisjes hebben niets gezien. Bernadette vertelt het hun, zo komt het nieuws bij moeder Soubirous terecht.
Op 14 februari volgt een tweede verschijning en in de periode van 14 februari – 04 maart 1858 verschijnt de “dame” telkens opnieuw in het visioen van Bernadette bij dezelfde grot in aanwezigheid van duizenden aanwezigen.
Op 1 maart spreekt men van het eerste mirakel van Lourdes als Catharine Latapie haar verlamde arm en hand opnieuw kan bewegen na een onderdompeling in het water van de grot.
Op 4 maart zegt de dame haar de volgende woorden :
‘Que soy era immaculada Councepciou’, ‘ik ben de Onbevlekte Ontvangenis’.
Bernadette begrijpt het niet, ook niet na een bezoek bij de pastoor. Pas ’s middags, in een gesprek met meneer Estrade, een geletterd man, begint ze te beseffen dat het tóch de Heilige Maagd moest zijn.
Deze gebeurtenissen verspreidden zich vlug over de ganse wereld en nadat ook de kerk de feiten officieel erkende kwam er een bijzondere verering tot stand voor O.L.Vrouw van Lourdes. Overal werden kapelletjes gebouwd door gelovigen waar men Maria kon vereren. Ook in ons dorp sprak deze devotie tot de verbeelding en samen met de pastoor besloten de dorpelingen op hun kosten dit kapelletje te bouwen.
Ieder avond in de zomerperiode werd er een rozenhoedje gebeden. Voor de dorpelingen was het een bedevaartsoord. Bij de jaarlijkse processies van Sacramentsdag en bij gelegenheid van de St-Anna-kermis, diende de kapel als rustaltaar waar de aanwezigen werden gezegend. En tiental jaren geleden werd deze traditie stopgezet. Thans staat de kapel nog dagelijks open voor devote bezoekers en kan men een kaarsje branden of geld offeren. Met deze opbrengsten wordt het gebouw onderhouden door de buurtbewoners . Een laatst algemeen onderhoud gebeurde in 1976 onder leiding van pastoor Delvax.
Jarenlang heeft de familie JANS en later MOÏES zich met de bewaking en met het onderhoud van de kapel bezig gehouden, nadien namen dan Camille Kicken ,Jef Mottar en Theresa Morren deze taken over . Nu kan men terecht bij de buren François Pirlotte of bij Richard en Lucienne Missotten-Billen.
Thans wordt de kapel nog jaarlijks gebruikt voor een Maria-viering in de meimaand en is ook telkens de startplaats van de “Stille Tocht op Goede Vrijdagavond”
De Griekse tempel:
Rond 1740 hebben verbouwingen plaats. Het kasteel is nu U-vormig met open zijde naar de Altenastraat toe. De hoeve wordt heropgebouwd aan de westzijde en Ca 1790 laat de graaf opnieuw verbouwingen uitvoeren die het kasteel een laat classicistisch uitzicht geven. De kern wordt behouden maar de oost-en westvleugel worden aanzienlijk ingekort, de gebouwen worden allen tot twee verdiepingen hoogte gebracht en onder mansardedaken geplaatst.
De kasteelgrachten worden gedempt en waarschijnlijk ontstaat in deze periode de tuin in landschapsstijl, de waterpartijen worden één grote vijver. Een nieuw U-vormig complex van dienstgebouwen bevindt zich aan de oostzijde van het kasteel, ongeveer op de plaats van de huidige dienstgebouwen. De manege, de ijskelder en het tuinpaviljoen dateren uit die periode.
De ijskelder:
Via de Grieken brachten de Romeinen de traditie van ijskelders tot bij ons. Ook zij bewaarden sneeuw en ijs, op grote schaal. De technieken voor de bouw van deze bewaarplaatsen haalden ze uit het Oosten en verspreidden ze tot in onze streken. Men groef een cirkelvormige put, vulde die met sneeuw/ijs en bedekte het geheel met isolerend stro. In geschreven bronnen is er ook sprake van ondergrondse ijsplekken. IJs ophalen, transporteren en bewaren bleef een moeilijke en dure onderneming. IJs was dan ook een luxeproduct voor welgestelde mensen.
Hoe het in de middeleeuwen met ijskelders zat, is nog voer voor veel onderzoek. In de 15de eeuw (her)ontdekten Arabieren sneeuw en ijs als bron van afkoeling, en via hen Spanjaarden en ook Italianen. Kwam het doordat men opnieuw kennismaakte met de Grieks-Romeinse bronnen? Of had het te maken met de nieuwe voorliefde voor gekoelde dranken, niet toevallig eerst in warme landen en later in het Noorden? Klopt dit verhaal van de verspreiding van zuid naar noord wel? Ook hier is dus nog meer onderzoek nodig, met als belangrijke vraag: was er al dan niet continuïteit?
In de 16de en 17de eeuw begint dan het verhaal van 'onze' ijskelders, dat tot in de 20ste eeuw duurt. Misschien introduceerden Italiaanse kunstenaars, ambachtslui en architecten de al meer gesofistikeerde ijskelder in West-Europa, bijvoorbeeld toen de liefhebster van gelati en sorbets Catharina de Medici nog vóór 1550 uit Firenze als koningin naar Frankrijk kwam en ijsjes aan het Franse hof een rage werden. Later bracht Henriëtta Maria (1609-1669) de nieuwe mode mee uit Frankrijk naar Engeland. Daar werden ijskelders in de landschapsparken met al hun folly's (bizarre bouwwerkjes) een prestigekwestie.
IJskelders waren vooral een fenomeen uit het dagelijkse leven van de hogere standen. Geschreven bronnen uit onze streken van vóór de 19de eeuw bevatten er maar weinig informatie over. Een zeldzame keer is er sprake van in een document uit een familiearchief of in een kadaster. Toch dateren de oudste historische bronnen over ijskelders in België van begin 17de eeuw, maar dan in een stedelijke context. De Vlaamse primeur is voor Leuven, met in de stadsrekeningen van 1673-1674 de rubriek 'Oncosten int maeken vanden ijsput in St-Joris hoff'. De oudste bron over de ver-en aankoop van ijs komt dan weer uit de stedelijke 'ijsput' van Brugge, waar de stad in 1828 een kleine ijskelder met een capaciteit van 45 m• verpachtte aan particulieren: een bakker, een beenhouwer, ...
Wat de distributie van het ijs betreft, vertellen de bronnen dat er zeker in de 19de eeuw een belangrijke handel was vanuit noordelijke, ijsrijke landen (zoals Noorwegen) naar grote bewaarcentra in onze streken, zoals naar de oude ijskelders van Brussel (Sint-Gillis). Vandaar werd het ingevoerde ijs verspreid naar kleinere stedelijke ijskelders. Deze vorm van distributie beleefde rond 1850 een hoogtepunt.
Vanaf de periode na de Eerste Wereldoorlog, en zeker na de Tweede Wereldoorlog, raakten ijskelders in onbruik als opslagruimtes voor ijs. IJs werd dan al een hele tijd kunstmatig geproduceerd in ijsfabrieken (vanaf de jaren 1860). Sommige families kochten nog een tijdlang ijs in die industrie en bewaarden het vervolgens nog altijd in hun ijskelders. Maar aangezien ijs nu permanent te koop was, verminderde dat gebruik geleidelijk. Later kwamen er overal koelkasten en diepvriezers. Zij maakten koudweg een definitief einde aan de enige functie van de ijskelder.
Veel ijskelders stonden sindsdien leeg of dienden hoogstens nog als opslagruimte, speelplaats of afvalput. In veel gevallen werden ze vergeten. Véle werden gesloopt of veranderden met de jaren in een ruïne waar de natuur het van de mens overnam.
IJs oogsten:
Het ijs in de meeste ijskelders kwam van vlakbij, namelijk uit lokale vijvers, grachten, beken, riviertjes, ... Je kon het ijs dankzij een goede isolatie en bijvoorbeeld een bijkomende laag stro tot twee jaar lang bewaren, maar doorgaans vond de 'ijsoogst' elke winter opnieuw plaats. Dat was op kasteeldomeinen het werk van de hovenier en zijn ploeg. Veel winters werk was er toch niet en blijkbaar was de sfeer vaak uitbundig. In de zomer moest diezelfde hovenier zorgen voor een vlotte afvoer van het smeltwater en een droog klimaat in de ijskelder. Dat kon dankzij het afvoerkanaal en door de ventilatieopeningen open te zetten.
Goed voor gebruik:
Het was ook de hovenier die op kasteeldomeinen het ijs uit de ijskelder in manden of met een kruiwagen bracht naar het kasteel of landhuis. Op die momenten was het belangrijk dat er in de kelder zo weinig mogelijk buitenlucht naar binnen stroomde. In de keuken kon men het ijs nog even bewaren in houten koelvaten, wijnkoelers, 'ijskasten'. Het werd gebruikt om in warme periodes eetwaren fris houden (vooral vlees en vis, maar ook zuivel), voor de bereiding van ijscrème (in onze streken vanaf de 16de eeuw, eerst in de hogere kringen) en om dranken en gerechten te koelen.
Medicinaal ijs:
Dokters schreven het gebruik van ijs voor tegen bepaalde kwalen, zoals ontstekingen en zwellingen. Het was een van de sociale taken van de adel ijs af te staan als daar voor medicinale doeleinden nood aan was. Ook ziekenhuizen hadden ijskelders voor eigen gebruik.
Patissiers:
Stedelijke ijskelders in privé-eigendom zijn in een aantal gevallen verbonden met brouwerijen, maar ook met producenten van snoepgoed en frisdranken, en van roomijs, sorbets, patisserie, ... Die laatste producten waren al in de 19de eeuw te koop bij banketbakkers. En zij hadden ijs nodig om die producten fris te houden. Vandaar de band tussen al dat lekkers en ijskelders in steden.
Oneigenlijk gebruik:
In ijskelders werd in de eerste plaats ijs bewaard, geen bederfbare waar. De vergelijking met een ijskast of diepvriezer klopt dus niet helemaal. Maar uit de 20ste eeuw hebben we wél nogal wat getuigenissen die het tegendeel lijken te beweren: in de ijskelder van het Linterpoortkasteel vond je appels uit de boomgaard vlakbij, in die van het kasteel van Schiplaken werd geschoten wild bewaard. Niet toevallig was toen de eigenlijke functie van ijskelders -het bewaren van ijs -aan het verdwijnen of al verdwenen. Door hun typische eigenschappen bleven ijskelders echter handige ruimtes. Ook om er andere dingen dan ijs in te bewaren. Vandaar dat 'oneigenlijke' gebruik.
Het kasteel van Bovelingen:
Het oorspronkelijk hof van Bovelingen was mogelijk een waterburcht die bij de komst van Michel de Borchgrave in 1616 omgebouwd we waterkasteel. De gebouwen beschreven door Saumery (1738-1744) en weergegeven op een tekening van Remacle Leloup, geven hiervan een beeld.
Rond 1740 hebben verbouwingen plaats. Het kasteel is nu U-vormig met open zijde naar de Altenastraat toe. De hoeve wordt heropgebouwd aan de westzijde.
Circa 1790 laat de graaf opnieuw verbouwingen uitvoeren die het kasteel een laat classicistisch uitzicht geven. De kern wordt behouden, maar de oost-en westvleugel worden aanzienlijk ingekort, de gebouwen worden allemaal tot twee verdiepingen hoogte gebracht en onder mansardedaken geplaatst.
De kasteelgrachten worden gedempt en waarschijnlijk ontstaat in deze periode de tuin in landschapsstijl, de waterpartijen worden één grote vijver. Een nieuw U-vormig complex van dienstgebouwen bevindt zich aan de oostzijde van het kasteel, ongeveer op de plaats van de huidige dienstgebouwen. De manege, de ijskelder en het tuinpaviljoen dateren uit deze periode, einde XVlIlde eeuw. Zo lezen we althans in een beschrijving die terug te vinden is in de atlas van de buurtwegen (1843). De dienstgebouwen werden einde XIXde of begin XXste eeuw vervangen door de huidige electische stijl.
In het begin van de jaren 1920 wordt het kasteel verkocht aan de gebroeders Frans en Paul Wittouck uit Brussel en na diens overlijden verkochten hun weduwen alles aan de “Tiensche Suikerraffinaderij”.
In 1947 breekt er brand uit in het onbewoond kasteel. Slechts één vleugel en één toren blijven bewaard. Rond 1955 worden de laatste resten afgebroken. Van het kasteel resten nog enkel de dienstgebouwen en de hoeve, nu eigendom van de heer Jadoul.
In deze hoeve woedde op maandagavond 29 juni 1992 eveneens een brand. De Waalse brandweer die slechts een paar km verder gekazerneerd was, mocht op Vlaamse grond niet komen blussen. Er moest gewacht worden op Sint-Truiden of Hasselt, hetgeen de vlammen hun schade verder liet aanrichten en heel wat kostbare tijd deed verloren gaan.
Ook dat was een beschamend voorbeeld van Belgische “onefficiënte” organisatie van onze openbare diensten ten dienste van haar burgers. Het gedeelte tussen deze dienstgebouwen en de hoeve waar zich de oprit naar het verdwenen kasteel bevindt, is thans afgesloten door een ijzeren hek.
Kroonprins Boudewijn stierf te Bovelingen:
Er is nooit veel ruchtbaarheid aan gegeven en deze feiten waren jarenlang gehuld in een waas van geheimzinnigheid. De mensen uit ons dorp die het ons verteld hebben, weten het van ouders en grootouders. En ondanks die zweem van twijfelen zijn we hoe langer hoe meer overtuigd dat het de waarheid is, vooral omdat onze bronnen met elkaar hierover onderling
nooit iets uitgewisseld hebben.
Onze eerste Belgische koningen staan in de geschiedenisboeken wellicht veel rooskleuriger voorgesteld dan ze in werkelijkheid waren, maar de vele intriges zijn later toch aan de oppervlakte gekomen.
Wij weten nu allemaal dat koning LEOPOLD II geen troonopvolger had toen hij stierf op 17/12/1909, en dat hij werd opgevolgd door ALBERT I (° 1875) , de jongste zoon van zijn broer Philippe.
Albert was het vijfde kind van Prins Philippe en Prinses Marie von Hohenzollern-Sigmaringen. Albert was oorspronkelijk niet voorzien als troonopvolger want die status hoorde toe aan zijn oudere broer BOUDEWIJN (°1869), indien die niet voortijdig was gestorven in 1891.
Een mysterieus overlijden waar nergens of door niemand ooit een woord over werd gerept.
Volgens de officiële versie is hij thuis gestorven… “na een kwaadaardige griep”.
In Bovelingen wisten ze beter, vooral de mannen die toen werkten voor de graaf op het kasteel van Bovelingen. Helaas ze mochten en durfden ook niet veel zeggen. Enkel de afstammelingen mochten het na jaren druppelsgewijze vernemen.
Nu is de tijd rijp dat wij dit in het openbaar vertellen. Wij hebben wel geen exacte bewijzen en die zullen er nooit komen. Maar als wij deze feiten logisch bij elkaar leggen dan moeten wij wel overtuigd geraken.
Op 23 januari 1891 vond er in het kasteelpark van Bovelingen een “duel” plaats tussen Boudewijn en zijn belager. Deze laatste, een graaf van de hoge adel, wiens vrouw een relatie had aangeknoopt met de toen 22 jarige prins, daagde de prins uit voor een duel op leven en dood
Boudewijn kwam als verliezer uit de strijd en werd dodelijk gewond.
Het lijk van de gedoodverfde “Belgische troonopvolger” werd geluidloos weggehaald uit het kasteelpark van Bovelingen.
De “Rode dreef” -een oase van rust: Deze dreef is sinds 2005 beschermd en eigendom van de gemeente Heers.
Vele wandelaars en fietsers maken intussen gretig gebruik van deze 420 meter lange dreef die oorspronkelijk toegang gaf naar het inmiddels verdwenen kasteel van de familie de Borchgraved’Altena.
De naam verwijst naar de rode kleur van het voetpad dat destijds aangelegd werd met de afval van de rode bakstenen die gebruikt werden voor de bouw van de bijgebouwen aan het kasteel.
Momenteel staan er aan weerskanten van de dreef 45 rode beuken . Je kunt er ook rustbanken, een fietsenstalling en zelfs een picknicktafel aantreffen.
De dichte rood-bruine kruinen van de imposante bomen geven de dreef een middeleeuws karakter. Links en rechts kan de wandelaar ook genieten van het glooiend landschap waar destijds fruit werd gekweekt. Daar werden ook de druiven geteeld die de wijnvoorraad in het kasteel moesten verzekeren (bij het kadaster zijn ze nog benoemd als Wyegersberg -= wijngaardberg). Daar stond ook de wieg van een appelsoort (Pepin de Bovelingen) die omstreeks de jaren 1900 daar geboren werd.
Kortom, vele toeristen komen er genieten van de rust en de verfrissing die de dreef momenteel uitstraalt.
De Rode Dreef werd in 2017 grondig opgefrist De heropwaardering kostte 22.000 euro, volledig gefinancierd door het plattelandsfonds.
De legende van de vervloekte graaf:
In de streek van Bovelingen zijn verscheidene legenden over de vervloekte graaf en verzonken kastelen mondgemeen.
De graaf van Bovelingen kocht tijdens de Franse Revolutie voor een appel en een ei, een grote uitgestrektheid van zwarte goederen. Daarom was hij vervloekt. Hij stierf enkele dagen na de koop, maar zijn ziel kon geen rust vinden. Zodra de herfst in het land kwam, met zijn woeste winden en donkere avonden, keerde de graaf terug. Een snelle rukwind stormde door het kasteel, zodat de deuren en vensters openvlogen, de jachthonden begonnen te huilen en de zware ketting van de ijzeren ingangspoort brak stuk. De Zwarte graaf, gezeten in een koets met zes paarden bespannen, reed het kasteel binnen, joeg door het park en verdween dan in het nabijgelegen bos. En dat was alle dagen hetzelfde, zolang de herfst-en winteravonden duurden. Al de jachtwachters, vechtersbazen, haantjes-vooruit trokken erop af, maar zodra ze het hellespan zagen, gingen ze vliegensvlug aan de haal. Pastoors en paters werden erop afgestuurd, doch geen enkele slaagde erin, daar geen van hen onschuldig genoeg was om macht te kunnen uitoefenen op de Zwarte graaf.
In die dagen leefde er een stil en heilig pastoorke in Batsheers, dat alom bekend was als een grote bekeerder. Op een kerstavond ging hij naar het kasteel in koorhemd, met koster en gevolg en het kruis voorop. Plotseling kwam de Zwarte graaf met zijn zwart gespan. Een fosforvlam schoot hem uit de neus, mond, oren en ogen. Het pastoorke deed de graaf stilhouden en verzocht hem dit aardrijk te verlaten. Maar de graaf wedervoer, dat niemand hem kon verjagen, die zelf ooit enig kwaad gedaan had. Hierop antwoordde het pastoorke : "Ik heb nooit vrijwillig een zonde bedreven" . "Jawel", bitste de graaf terug " ik heb gezien dat gij in de tuin van de buurman een rode kabuiskool afgesneden hebt". "Dat is waar", zei het pastoorke, " maar ik heb er een half frankske in de plaats gelegd".
Daarop sprak hij de bezwering uit en de graaf verdween, met paarden en koets in de nabijgelegen diepe put, om nooit meer weer te keren.
Beeld Onze-Lieve-Vrouw op het kerkplein:
Volgens archieven van de parochie staat het altaar daar sinds 1950 en is gebouwd naar aanleiding van de Dogma verklaring van de hemel-opneming van Maria met ziel en lichaam (15/08/1950)
Bij deze gelegenheid werd het beeld van de Maagd der Armen plechtig gewijd na de hoogmis met drie geestelijken. Onder de heerlijke stralen van een O.L.Vrouw-halfoogst zonnetje hield de Z.E.P. Adjutor, minderbroeder te Sint-Truiden, een korte toespraak op het plein over de betekenis van de inhuldiging, Er was ook een zéér grote belangstelling van de parochianen.
Het altaar, ontworpen door architect Jozef Kindermans, en het mooie Lieve Vrouwe beeld (een werk in cement van A. Dupas uit Brugge) werd door de bevolking zeer fijn versierd (een vijftigtal bloemen waaronder kostelijke giroffels en prachtige chrysanten). Gedurende 2 avonden en twee nachten werd het plein gans verlicht. Talrijke parochianen kwamen tot laat in de nacht bidden bij het beeld.
Het beeld koste 2.700 frank plus het port en was een gift van Gusta Haubrechts, een brave en eenvoudige parochiaan, die verkoos onbekend te blijven. (betrokkene woonde toen in de bijgebouwen van het kasteel en was de vrouw van de jachtwachter)
Thans doet dit altaar met beeld, enkel nog dienst bij de wijding van de palmtakken op palmzondag.
De Grafsteen van de familie de Borchgrave te Mechelen-Bovelingen:
SEPULCHRUM PRAENOBILIUM AC ILLUSTRIUM DOMINORUM DE BORCHGRAVE EX COMITIBUS DE ALTENA (op de zerk)PRAENOBILIS ET ILLUSTRIS DNS JOES BAPTISTA DE BORCHGRAVE DOMINUS TEMPORALIS DE MARLENS RUCKELINGEN PEPINGEN ET BOVELINGEN ALIAS SCHALCHOVEN QUI OBIIT 22 MARTI 1684 ET NOBILISSIMUS D. CATHARINA DE WOELMONT IN MEMORIAM PARENTUM POSUERUNT QUAE OBIIT 23 8BRIS 1717 AETATIS SUAE AN. 96
PRAENOBILIS PERILLUSTRIS AC GENEROSUS DNUS JOES BAPTISTA DE BORCHGRAVE IN VITA DNS DE TERLAEMEN AC HABROUCK OBIIT 8 MARTII 1718 ET HIC PENES PARENTES SUOS SEPULTUS EST REQUIESCAT IN PACE (in de cartouche)
Jean Baptiste Everard de Borchgrave, waarvan er sprake is op deze grafsteen, was de zoon van Michel de Borchgrave, heer van Bovelingen, Rukkelingen, Pepingen en Mechelen. Daarbij was hij nog tijdelijke heer van Oerle (Noord Brabant NL) en Merevelt. Zijn moeder was Marie de Jegher. Hij was de kleinzoon van Everard de Borchgrave, heer van Oirle en Merevelt en van Johanna Schroots, dame van Bovelingen, Quaedtmechelen etc… Hij was de achterkleinzoon van Willem (Guillaume) de Borchgrave, stadhouder van ’s Hertogenbosch, en van Everardine de Nieuland. Catherine de Woelmont, de echtgenote van Jan Baptist de Borchgrave was dame van Blehin.
Volgens familietradities waren de voorouders van dit geslacht burggraven van kasteel Altena. Een echt bewijs bestaat er niet; opmerkelijk is echter wel dat de familie reeds in de middeleeuwen het wapen van de adellijke familie van Altena (twee afgewende zalmen) voerde. De eerste Borchgraves treden op als schepen en bestuurders van de stad ‘s-Hertogenbosch. Na de Reformatie, verhuisde de familie naar de Zuidelijke Nederlanden. In 1816 werd het geslacht de Borchgrave d’Altena in de adel van het Koninkrijk der Nederlanden als adellijk geslacht erkend met de titel van graaf.. De Nederlandse tak is uitgestorven, de Waalse tak is nog zeer talrijk vertegenwoordigd.
De rechthoekige grafplaat is gemaakt van Naamse steen, blauwe hardsteen. De stijl kunnen we classicistisch, met een lichte baroktoets noemen. Afmetingen : 270 x 147 cm. Oorspronkelijk uit de oude St.-Annakerk. Huidige locatie : nabij het schoolgebouw. Toestand : slecht, gebroken.
We zien boven, in het midden van de grafplaat de wapens van de families de Borchgrave en Woelmont. De gewone schildvorm hoort toe aan de man; het ruitvormige schild aan de vrouw. Beide schilden staan in een krans van palmtakken die beneden kruislings in een knoop samenkomen. Deze palmtakken symboliseren de waarheid van het Christelijk geloof. De knoop waar de palmtakken samenkomen symboliseert de liefdesknoop; een voorstelling die we regelmatig terugvinden op pre 19de eeuwse grafzerken. Meestal wordt de liefdesknoop door een geknoopt touw verzinnebeeld. Centraal zien we een gevleugeld doodshoofd. Deze voorstelling grijpt terug naar de middeleeuwse knekelthematiek met als hoofdboodschap : “Memento mori” – gedenk dat u moet sterven. De vleugels naast het doodshoofd verwijzen dan weer naar de Latijnse uitdrukking “Tempus fugit” – de tijd vliegt.
Onder het doodshoofd bemerken we een omgekeerd trapeziumvormige figuur die de grafzerk voorstelt. Op deze zerk staat de volgende tekst (vertaald) : “Rustplaats van de weledele en illustere heren de Borchgrave, afkomstig van het graafschap Altena(1).” De grafzerk is met twee “voeten” vastgemaakt aan de cartouche waarin de eigenlijke graftekst staat. Deze cartouche is rechthoekig van vorm en aan de twee bovenste hoeken zijn twee uitsparingen d.m.v. een cirkelsegment. De graftekst luidt als volgt (vertaald) : “De weledele en illustere heer Joannes Baptista de Borchgrave, tijdelijke heer van Mechelen, Rukkelingen, Pepingen en Bovelingen alias Schalkhoven die overlijdt 22 maart 1684 en de weledele mevrouw Catharina de Woelmont hebben dit (grafmonument) ter nagedachtenis hunner ouders opgericht. Zij overleed op 23 oktober 1717 op een leeftijd van 96 jaren.:” Binnen de cartouche komt nog een tweede epitaaf voor met als tekst : “De weledele en hoog-illustere en genereuze heer Joannes Baptista de Borchgrave, in zijn leven heer van Terlaemen en Habrouck, overleed op 8 maart 1718 en is hier bij zijn ouders begraven. Rust in vrede.”
Links en rechts zien we de wapenschilden, begeleid door een naam-banderol, van de volgende families : de Borchgrave, de Jeger, Schroots en Nulandt. Rechts staan de schilden van de families de Woelmont, Woestenraad, de Longchamp en de Vervou. Al deze schilden dragen een zogenaamde “baronnenkroon”. Jos Schoefs schreef enkele jaren geleden het hierna volgend artikeltje : “Hoe baronnen plots graven werden.” Uit dit artikeltje blijkt duidelijk dat de heren van Mechelen-Bovelingen zich correct profileerden en de heraldische regels nauwkeurig volgden, zelfs op hun grafmonumenten.
De wapens van de Jeger, Woestenraedt, Vervou, Woelmont, de Borchgrave, Nuland en Schroots (v.l.n.r.) De kleuren van de klimmende leeuw in het wapen van Longchamp kennen we niet. Hoogstwaarschijnlijk is Longchamp een verfransing van Langveld of de Langhe; namen die in Nederland vrij veel voorkwamen. Deze families voerden in goud een rode klimmende leeuw.
1) Altena was een heerlijkheid in de huidige Noordbrabantse gemeente Almkerk. Het slot van Altena wordt omstreeks 1230 vermeld als het in leen wordt opgedragen aan de graaf van Holland. Dirk III draagt dan zijn “castrum meum de Altena” op aan Floris IV. Bij opgravingen zijn grote hoeveelheden tufsteen omhoog gehaald, waar men uit opmaakt dat het huis geheel of gedeeltelijk uit tufsteen werd opgetrokken, wat betekent dat het 22 maart eenvoudiger te gebruiken. In 1393 wordt het huis belegerd i.v.m. de moord op Aleida van Poelgeest, minnares van hertog Albrecht van Beieren, daar de daders zich hadden teruggetrokken op het huis. Of het huis toen is verwoest is niet bekend. Rond 1400 zou het huis gemoderniseerd zijn; maar in 1534 is het huis ruïneus. De ruïne blijft tot het eind van de zeventiende eeuw overeind staan en zal waarschijnlijk als steengroeve zijn gebruikt. De heren van Altena waren waarschijnlijk de bouwheren van het kasteel. Rond 1230 wordt het kasteel in leen opgedragen aan de graaf van Holland. Kort daarna verdwijnt het geslacht Van Altena om plaats te maken voor het geslacht Van Horne. In 1386 worden hun bezittingen verbeurd verklaard en wordt de graaf van Holland eigenaar. Het huis wordt daarna nog alleen bewoond door kasteleins.
De oude kerk van Mechelen:
Op het einde van de 11de eeuw werd er door de inwoners van Mechelen (Marlinne) een kerk gebouwd. Dit gebouw stond in het centrum van hun woonplaats zodat we nu gemakkelijk de plaats kunnen achterhalen waar de kern van het oude Mechelen gelegen was. Geen Schoolstraat toen, maar wel de kerkstraat. Deze kerk stond op de plaats waar nu nog altijd het oude kerkhof ligt, met de voorgevel en ook de toegangsdeur naar de richting en ter hoogte van de huidige pastorij. Ze is daar steeds op dezelfde plaats gebleven tot in 1913, toen ze werd afgebroken omdat men een beetje verder een nieuwe kerk, de huidige St.-Annakerk, had gebouwd.
De inwoners kwamen jaarlijks bijeen om de grote herstellingen aan hun kerk te bespreken en die zelf uit te voeren of te helpen bekostigen.
In 1359 dreigde ze zelfs in te storten want we vonden in dat jaar een akte terug waarbij de inwoners werden verplicht om de kosten hiervan te betalen.
In de lente van het jaar 1642 brak er brand uit in de kerk met gevolg dat er weer een deel moet worden opgebouwd. Ook in 1784 werden er herstellingswerken uitgevoerd.
Dit alles maakt dat de oorspronkelijke kerk er in de 19de eeuw een heel ander uitzicht had gekregen. Het schip was vrijwel nog authentiek, doch er werden wel zijbeuken aan bijgebouwd en het totale grondplan bedroeg toen 3a96ca.
Merkwaardig in deze kerk waren de 12 grafstenen die als aandenken aan leden van de familie de Borchgrave-d’altena, waren ingemetseld in de muren rondom het altaar. Voor de geïnteresseerden is dit misschien toch leuk om die even op te noemen . In volgorde van ouderdom waren dat :
-1590 Barbara de Borchgrave, echtg. van Schrootz. -1594 Guillaume de Borchgrave en Everardine Nulants. -1612-1617 Jeanne Schrootz en Evrard de Borchgrave. -1630-1650 Michel de Borchgrave en Marie de Jegher. -1684 Jean-Baptist de Borchgrave. -1717 Cathérine, baronnes de Woelmont. -1717 Elisabeth de Borchgrave (religieuse) -1718 Jean-Baptist de Borchgrave -1720 Michel de Borchgrave & Marie-Thérèse , baronnes de Geloes. -1745 Robert Guerri. -1754 Anne-Barbe-Antoinette, baronnes de Polart. -1772 Jean-Baptist de Borchgrave
Het koor werd herbouwd in 1816 en ook in 1830, bij het ontstaan van het koninkrijk België, werden verbouwingswerken uitgevoerd.
Maar omdat de onderhoudskosten steeds maar zwaarder werden, en deels ook omdat het bevolkingscijfer in het dorp steeds maar toenam en de kerk daardoor te klein was geworden werd ze in 1912 vervangen door de huidige.
Spijtig dat we tot nog toe geen enkele foto konden vinden van dit eeuwenoude dorpsgebouw. Op de zolder in de pastorij werd wel een oude zonnewijzer terug gevonden die ook eeuwenlang naast deze kerk op een zuil stond geplaatst. Op die zonnewijzer was wel een schets met de
afbeelding terug te vinden. Het leek echt een klein maar gezellig gebouwtje met een vierkante torengebouw en erop een korte spitse toren. Voor de rest moesten we het doen met eigen verbeelding.
Een foto die in 1911 werd verstuurd tussen twee families met nieuwjaarswensen. Wellicht dateert die foto van 1911 want het schoolgebouw ernaast werd toen in gebruik genomen.
Een pracht van een foto , zoals u hier kunt zien.
Bemerk niet enkel het romantisch kerkje maar ook uiterst links een gebouw waar op het gelijksvloer de jongensschool was en op de eerste verdieping het gemeentehuis. Voor dit gebouw was een klein parkje waarin later in 1922 het monument der gesneuvelden van de oorlog tegen de muur , tussen de 2de en 3de venster, van de school werd geplaatst. En ook die mooie ommuring van de speelplaats, waarin toen reeds de lindebomen voorkwamen die ons later zoveel genot en schaduw hebben geschonken.
Nu we toch een foto hebben van dit schoolgebouw kunnen wij misschien wat wetenswaardigheden erover vertellen.
Op 07/01/1906 werd de grond aangekocht voor dit gebouw. De plannen werden reeds goedgekeurd op 07 maart 1907 en op 5 augustus van dat zelfde jaar werd met de werken gestart zodat die wellicht het jaar nadien reeds klaar was. Het ziet er trouwens ook heel nieuw uit en toch werd dit gebouw in 1970 volledig afgebroken..
Wat is er nog meer te zien ? Men is bezig met de aanleg van iets. Deze foto is genomen van op het perceel waar de huidige kerk nu staat. Waarschijnlijk stond men op het punt om te starten met de bouw van de huidige kerk want de stenen en materialen liggen reeds op het terrein.
Teksten : Jos Schoefs, Georges Vanschoonwinkel en Elie Missotten
email: elie.missotten@gmail.com mobiel : 0471/476595 website : www.grootheers.be